nl

Begrotingsprincipes

Het begrotingsrecht berust op vijf grote fundamentele beginselen: de eenjarigheid, de eenheid, de universaliteit, de specialiteit en de openbaarheid. Daar komt ook nog het evenwichtsprincipe bij.

Eenjarigheidsprincipe

Het eenjarigheidsprincipe betekent dat de gewestbegroting elk jaar gestemd moet worden (eenjarigheid van de begrotingsstemming en de toelating om belastingen te innen). In België valt het begrotingsjaar samen met het kalenderjaar: de uitgaven en de ontvangsten moeten elk jaar worden uitgevoerd tussen 1 januari en 31 december.

De begroting is een jaarlijkse ordonnantie.

Op die manier:

- zijn de ontvangsten deze die dewelke het Gewest zal vaststellen in de loop van het begrotingsjaar,

- zijn de uitgaven deze die dewelke de behoeften van het begrotingsjaar dekken, namelijk die waartoe het Gewest zal beslissen tijdens het begrotingsjaar.

De uitgaven worden onderverdeeld in:

- vastleggingskredieten: deze laten toe verbintenissen aan te gaan (overheidsopdrachten, subsidies, bezoldigingen, enz.)

- vereffeningskredieten: deze laten toe bedragen te vereffenen die voortvloeien uit de verbintenissen die in de loop van het begrotingsjaar of in de vorige begrotingsjaren aangegaan zijn.

Eenheidsbeginsel

Het eenheidsprincipe omvat twee regels:

de eenheidsregel, die vereist dat de gewestbegroting als één geheel wordt beschouwd. De bedoeling is ervoor te zorgen dat de parlementsleden over een goed leesbaar begrotingsdocument kunnen beschikken, en bijgevolg een effectieve controle kunnen uitoefenen op de financiën van het Gewest;

de regel van de volledigheid die inhoudt dat alle uitgaven en alle ontvangsten van het Gewest in de begroting worden opgenomen en tegelijkertijd ter goedkeuring worden voorgelegd aan de begrotingsoverheid.

Universaliteitsbeginsel

Het universaliteitsbeginsel stelt dat het geheel aan ontvangsten alle uitgaven moet dekken. Het bestaat uit twee regels:

het compensatieverbod, dat verbiedt compensaties te maken tussen uitgaven en ontvangsten. Zo mogen bepaalde uitgaven niet van bepaalde ontvangsten afgetrokken worden en vice versa om te vermijden dat in de begroting enkel het saldo van de compensatieverrichting verschijnt. Door inkomsten en uitgaven te compenseren zouden immers bepaalde kosten verborgen kunnen blijven, wat de leesbaarheid en de openheid van de begroting zou kunnen schaden.

De regel van de niet-toewijzing van ontvangsten die de toewijzing van een bepaalde ontvangst aan een bepaalde uitgave verbiedt. Dit houdt in dat alle ontvangsten in één enkele schatkist opgenomen worden zonder de oorsprong van de gelden te onderscheiden. Hierdoor kan de begrotingsoverheid haar beslissingsbevoegdheid behouden.

Specialiteitsbeginsel

In overeenstemming met het specialiteitsprincipe, moet elk krediet een bepaalde bestemming hebben en besteed worden aan een specifiek doel om elke vorm van verwarring tussen de verschillende kredieten te vermijden, zowel op het ogenblik van de machtiging als op het moment van de uitvoering. Zo kan de begrotingsoverheid (het Parlement) er zeker van zijn dat de uitgaven die ze goedgekeurd heeft, besteed worden aan het door haar toegewezen doel. Hetzelfde principe geldt ook voor de ontvangsten. De naleving van dit principe houdt in dat de Regering de bestemming van de kredieten niet mag wijzigen zonder de toelating van het Parlement. De overdracht van kredieten binnen verschillende programma's vormt dus een afwijking op het principe van de specialiteit.

Openbaarheidsbeginsel

Het openbaarheidsbeginsel houdt in dat de bevolking alle begrotingsdocumenten kan inkijken, waardoor iedereen het financiële beleid van de Regering kan controleren. Daarenboven worden de begrotingsordonnanties in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en zijn de zittingen van het Parlement waarin de begrotingsordonnanties besproken worden, openbaar.

Evenwichtsbeginsel

Het principe van het begrotingsevenwicht houdt in dat de uitgaven gedekt moeten worden door globaal gezien gelijkwaardige ontvangsten.